Terug naar de beginpagina

MODELSPOORWEGBOUW

Een fascinerende hobby

> Hoe het allemaal begon

Hoe gaan wij beginnen
Kiezen van een onderwerp
De schalen per stuk bezien
Welke schaal, welk merk
Welk systeem
Welk tijdperk
Het thema (plannen)
Het Sporenplan
Ontwerpen
Het station
De bouw van de spoortafel


Modelspoorwegbouw


De Modelspoorhobby, hoe het begon..........

Modelspoorwegbouw wordt nog wel eens denigrerend 'treintjes kijken' of 'spoortje spelen' genoemd, maar die benamingen stammen nog uit vroeger jaren, uit de ontwikkelingsfase van het modelspoor, toen we nog te maken hadden met blikken rails en opwindtreinen. Miniatuurlokomotieven stammen uit de jaren ....
Kinderen konden toen een ovaaltje leggen en daar met de opwindtrein overheen razen. Lokomotieven en wagons werden niet nauwkeurig op schaal gemaakt en hadden geen andere functie dan tijdelijk vertier. De snelheid van de opwindlok was niet regelbaar en ook moest deze telkens weer worden opgewonden.

Iets later kwamen de spiritusloks. Maar ziet u uw kinderen al met spiritus en echt stoom in de weer? Vele binnenbrandjes en vernielde vloerkleden waren het gevolg. In Duitsland kwam men met lokomotieven die gevoed werden door elektriciteit. Minder gevaarlijk werd het daardoor niet want de loks kregen hun spanning, zonde tussenkomst van een transformator, direkt van het lichtnet.
0-spoor In de 20-er en 30-er jaren kwamen Marklin en vele andere speelgoedfabrikanten met lokomotieven op schaal 0 (1:32) geschikt voor 20V bedrijfsspanning. Juweeltjes van modellen die hedentendage door verzamelaars gezocht zijn. Maar het vergde nogal wat ruimte om in schaal 0 een miniatuurspoorwegbedrijf te bouwen en al spoedig kwamen midden dertiger jaren Marklin en Trix ook met modellen in schaal H0 (1:87). Dit is waarschijnlijk de schaal waarin velen van u hun eerste spoortreintje kregen.

De H0 schaal werd razend populair. Zozeer zelfs dat veel merken de produktie van de grotere sporen staakten. Fleischmann die als een van de laatsten in 1948 de 0 schaal nog oppakte, moest in de catalogus van 1959 alweer aankondigen de produktie stop te zetten. Noodzakelijke uitbreiding van het programma met langere modellen zou kostbare aanpassingen in het railprogramma vereisen. Maar desondanks had Fleischmann in spoor 0 zeer natuurgetrouwe 2-rail modelrails ontwikkeld. In het HO-programma werd dit gelijkstroomsysteem voortgezet. We komen later uitgebreid op Fleischmann terug.

Eind 60-er jaren kwam de hoogbouw in zwang en het gemis aan ruime zolders en kelders maakte dat velen in hun flatje niet meer in staat waren om nog een aantrekkelijke miniatuurbaan in de H0-schaal te bouwen. 0-spoor Er ontstond daardoor vraag naar nog kleinere schalen. Het merk Rokal bracht de TT-schaal op de markt met een spoorwijdte van 12 millimeter. Behalve Rokal waren er verder niet veel andere merken die deze schaal voerden. Het merk Berliner TT-bahnen in Oost-Duitsland produceerde ook TT-materiaal maar dat was in Nederland nauwelijks te verkrijgen. De TT-schaal heeft zich helaas niet kunnen ontwikkelen. Ondanks dat de kleinere schaal een uitgebreid modelspoorcomplex mogelijk maakte op een beperktere ruimte. Verder zijn de lokomotieven nog groot genoeg om uitgebreid te detailleren. Het lot besliste anders en Rokal en TT hebben het niet gered. In 1972 ging de firma Rokal ter ziele en moest de schaal TT nagenoeg volledig plaatsmaken voor de schaal 'N'.

Het N-spoor heeft een schaalverhouding 1:160 en een spoorwijdte van 9 mm. (Duizelt het u al, al die schalen? Geen nood, lees maar rustig door, want we zetten ze straks allemaal voor u op een rijtje). Het spoor 'N' bestond toen al een jaar of tien, maar kon nog niet echt serieus genomen worden. Het deed allemaal nogal wat primitief aan: opschriften waren niet in de juiste grootte, kleuren klopten niet en de loks reden ook niet goed. Zo bestonden bijvoorbeeld de scheenplaten van de draaistellen van de eerste lokomotieven uit niet veel meer dan een glad stukje blik. Ook het systeem van stroomoverbrenging door middel van dunne metalen draadjes van de wielen naar de motor was nogal storingsgevoelig.
Maar in de loop van de 60-er jaren werd de schaal N allengs professioneler. De merken Trix en Arnold Rapido brachten in hun concurrentiestrijd steeds mooiere modellen op de markt en de populariteit groeide als nooit tevoren. In de tussentijd werd ook veel aandacht besteed aan de normering van de schaal 'N'. In 1964 werd schaal 1:160 onder de schaalaanduiding 'N' in het internationale normeringsstelsel opgenomen. De rijspanning van 12 Volt, en de universele koppeling maakten vanaf dat moment deel uit van de N-standaard. Hiermee werden problemen voorkomen zoals bij de HO-schaal. Want bijna alle merken in HO hebben hun eigen type koppeling zodat wagons van de diverse merken alleen na het verwisselen van de koppeling doorelkaar te gebruiken zijn. Soms zelfs moeten ook de wielen vervangen worden. In spoor 'N' hebben alle fabrikanten afgesproken om dezelfde koppeling te hanteren. Het gebruik van de letter 'N' voor het 9 mm spoor is overigens ontstaan omdat zowel in het Duits als in menig andere taal het telwoord voor deze spoorbreedte met de letter 'n' begint (neun, neuf, negen etc). In 1968 kwam Fleischmann ook met een programma in N en later volgenden nog meer merken.

Z-spoor Maar het bleek allemaal nog veel kleiner te kunnen want in 1972 verraste Marklin de modelspoorwereld met een nog kleinere schaal. Het spoor 'Z' in de schaal 1:220 was geboren. Je kunt je afvragen waarom Marklin deze schaal lanceerde. Was het omdat er werkelijk vraag naar was of wilde Marklin laten zien waartoe het technisch in staat was? Want een technisch hoogstandje was het natuurlijk wel.

Door de kleine schaal hadden de lokomotieven bijzonder veel weg van een Zwitsers uurwerk. Maar ook het Z-spoor kreeg zijn liefhebbers. Nog meer dan bij de eerdergenoemde schalen maakt spoor 'Z' het mogelijk om een zo realistisch mogelijk landschap uit te beelden.
Nadelen zijn dat het zelfbouwen van rijdend materiaal voor 'Z' welhaast onmogelijk is en dat de Z-modellen door hun beperkte grootte niet tot in de details gedetailleerd kunnen worden. Bijvoorbeeld het drijfwerk bij stoomlokomotieven wordt vereenvoudigd weergegeven.

Dankzij de huidige stand van de techniek kan de modelspoorindustrie nu ook in grote series vervaardigde modellen met een dermate kwaliteit leveren, waarvan men zo'n twintig jaar terug nog niet eens durfde te dromen. Elke verandering kost echter geld. Als toch steeds opnieuw verbeteringen worden gewenst, dient men zich wel te realiseren, dat de modellen ook nog betaalbaar moeten blijven. De fabrikanten proberen telkens het juiste midden te vinden tussen wat de speelgoedconsument wil - een goedkope, stevige modelspoorbaan, waarbij het niet zozeer op de exacte detaillering aankomt - en wat de modelspoorliefhebbers willen. De firma Roco begon in de zeventiger jaren modellen met kleine losse onderdelen te leveren die na aanschaf door de koper zelf op het model moesten worden aangebracht. Daardoor konden de prijzen laag worden gehouden en zien de modellen er toch werkelijkheidsgetrouwer uit. Nadeel is dat het nauwelijks nog mogelijk is de lokomotief een onderhoudsbeurt te geven zonder dat de opgezette fragiele onderdelen beschadigen of breken. Fleischmann kwam met het geniale idee om bij stoomlokomotieven de motor niet in de lokomotief, maar in de tender in te bouwen. Dit vergemakkelijkte het detailleren van de stoomlokomotief doordat de techniek in de tender verwerkt was. Later volgden ook andere merken dit voorbeeld.

Next